Scouting Wesselgroep
Vlaardingen

Bezoek adres
Broekpolderweg 249c
3138 HA Vlaardingen

Klik hier voor een uitgebreide route omschrijving

Opleiding => Varen (CWO) => CWO eisen KB3


5.5 CWO Diploma Kielboot III, MBL Z1

Het CWO Diploma Kielboot III wordt uitgereikt aan personen die blijk hebben gegeven de volgende onderdelen te beheersen en in staat zijn tot en met windkracht 6 zelfstandig op meren, plassen en kanalen in een zeilboot met een eigen massa van tenminste 200 kg en een zeiloppervlak tot 30 m2 te varen. Het scoutinginsigne MBL Z1 wordt uitgereikt aan personen die als bootleider kunnen functioneren

 

5.5.1 Eisen praktijk Kielboot III

1. Het aanslaan van de zeilen
2. Het schip zeilklaar maken en klaarmaken voor de nacht
3. Verhalen van het schip
4. Hijsen en strijken van de zeilen zowel stilliggend als varend
5. Stand en bediening van de zeilen
6. Bovenwinds gelegen punt kunnen bezeilen
7. Opkruisen in nauw vaarwater
8. Gijpen en gijpen kunnen vermijden
9. Afvaren van en aankomen aan hoger wal
10. Man over boordmanoeuvre 11.Aankomen aan lagerwal 12.Afmeren
13. Kunnen reven op het eigen schip
14. Eenvoudig ankeren
15. Eenvoudige zeil- en scheepstrim
16. Loskomen van aan de grond
17. Bedienen van een binnen- of buitenboordmotor
18. Schiemanswerk
19. Aanvarings/achtergrondspeiling kunnen maken 20.Toepassing van de reglementen
21.Terminologie

5.5.2 Eisen theorie Kielboot III

1. Schiemanswerk
2. Zeiltermen
3. Onderdelen
4. Veiligheid
5. Reglementen
6. Krachten op het schip en hun gevolgen
7. Gedragsregels, vlagvoering en jachtetiquette
8. Weersinvloeden
9. Vaarproblematiek andersoortige schepen
10. Dagelijks onderhoud van het eigen schip
11. Het kennen van twee andere reefsystemen dan die op het eigen schip

5.5.3 MBL Z1 De Persoonlijke kenmerken

De persoonlijke kenmerken vormen, naast de praktische en theoretische vaardigheden op CWO 3 niveau, het belangrijkste element in de Machtigingen voor Boot Leiding (=MBL).

1. Besluitvaardigheid
In kritieke situaties snel en duidelijk een beslissing kunnen nemen.
Als 'de schipper van de boot' moet hij zorgen dat hij altijd alles kan horen en zien wat er aan boord van zijn schip, op het water, maar ook op het land gebeurt dat van invloed kan zijn op het veilige varen van zijn boot. Als er iets gebeurt moet hij de zaak ook direct begrijpen, zo nodig

5.5.3 MBL Z1 De Persoonlijke kenmerken vervolg

ingrijpen en de noodzakelijke maatregelen nemen. Snelheid kan geboden zijn. Tevoren de betreffende situatie uitproberen is meestal niet mogelijk.
Wat tevoren wel kan worden gedaan is zorgen dat de bootleider zijn schip goed kent en dat hij en zijn bemanning een bevaren eenheid vormen. Bovendien moet de bootleider zich natuurlijk goed oriënteren voor hij naar een vreemd vaarwater gaat. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat hij besluit niet uit te varen, gezien de harde wind die wordt verwacht, na de staat van schip en bemanning bekeken te hebben. Ook kan het een terecht besluit zijn om een bemanningslid, die zijn reddingvest vergeten heeft, maar aan de wal te laten, hoe hard dat ook lijkt. Bij het 'slepie pikken' bepaalt hij achter welke boot wel en achter welke hardloper beslist niet wordt aangehangen.

Het betekent dat de bootleider moet zien welke gevaren er al dan niet dreigen, welke risico's bij bepaalde manoeuvres worden gelopen en op het juiste moment de juiste beslissing neemt.

2.Dragen verantwoordelijkheid,leiderschap
Blijk hebben gegeven de verantwoordelijkheid voor schip en bemanning te kunnen dragen en in staat zijn leiding te geven.

De bootleider is de verantwoordelijke persoon aan boord, ook volgens wettelijke regels. Als er iets fout gaat, is hij degene die ervoor opdraait.
Veel moeilijkheden kunnen al worden voorkomen door erop toe te zien dat het schip voor vertrek in orde is gebracht en, wat minstens zo belangrijk is, tijdens de vaart ook in orde blijft.
Als hij met een lek schip gaat varen, dan kiest hij al vooruit tussen natte bagage of hozen. Gaan roeien met half versleten riemen levert problemen op, op het moment dat die riemen dan uiteindelijk toch breken. Als de landvasten worden vergeten kan nergens worden aangelegd en als de willen thuis worden gelaten, dan behoort hij nergens aan te leggen.

De zorgen van 'de schipper' (bootleider) zijn er vele. Is zijn schip namelijk prima in orde (en dus dat jaar ook goedgekeurd door de Regionale Admiraliteit), maar zijn bemanning kent de klappen van de zweep niet, dan komt hij niet erg ver. Schipper, schip en bemanning moeten een eenheid zijn. De schipper (bootleider) moet weten welke commando's hij in bepaalde situaties moet geven en de bemanning moet die commando's stipt en feilloos uit (kunnen) voeren. Zolang de bemanning daartoe nog niet in staat is, mag het eigen vaarwater niet worden verlaten. Veiligheid gaat immers voor alles!

De schipper (bootleider) dient ervoor te zorgen dat er op hemzelf, zijn schip en zijn bemanning niets valt aan te merken. Leiderschap houdt tevens in dat de bootleider vertelt welke manoeuvres uitgevoerd gaan worden en welke taken de bemanningsleden hierin hebben. De bootleider moet in staat zijn om met elke beschikbare bemanning toch de manoeuvres veilig en verantwoord uit te voeren. Taakverdeling en duidelijke opdrachtgeving spelen hierbij een belangrijke rol.

3.Ervaring
Voldoende praktische ervaring hebben met het varen op het thuiswater.

De enige manier om je al die vaardigheden eigen te maken is te leren en nog eens te leren, maar bovenal het dikwijls doen onder toezicht en met behulp van een ervaren leermeester. Bij de

5.5.3 MBL Z1 De Persoonlijke kenmerken vervolg

waterscouts heeft de wachtschipper of speltak BG die status.
Het water kent een eigen taal en de bootleider moet de taal volledig beheersen, maar ook zijn bemanning moet die taal spreken. Als de bootleider stuurboord wil zeggen, moet hij niet eerst naar dat litteken op zijn rechterhand hoeven te kijken om te weten welke kant dat ook alweer is. Als de bootleider voor die beroemde eenheid van schip en bemanning heeft gezorgd, moet hij zorgen dat hij steeds bij de tijd blijft, of door zelf op te letten, of dit een ander te laten doen die hem onmiddellijk waarschuwt als er zich iets bijzonders dreigt te gaan voordoen.

De bootleider is voor de wet de eerst verantwoordelijke persoon. De schipper en de groepsvoorzitter dragen beide medeverantwoordelijkheid.
De eisen spreken over voldoende praktische ervaring en dat is duidelijk meer dan eens of misschien een paar keer meegevaren hebben als bemanningslid. Nee, het moeten duidelijk oefentochten zijn, waarbij de aankomend bootleider de leiding met succes heeft gevoerd, onder toezicht van de BG.

Aanbevolen literatuur:
Het Zeilboek, J.Peter. Hoefnagels, Uitgeverij Het Goede Boek, derde druk 2001,ISBN 90 240 0667 8
Zeilen van beginner tot gevorderde ;Karel Heijen, Peter Tolsma, Uitgeverij Hollandia, zevende druk 1998,ISBN 90 6410 0586

5.5.4 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot III

1.Het aanslaan van de zeilen
Een zeil kunnen aanslaan aan de rondhouten van het 'eigen' schip.

2.Het schip zeilklaar maken en klaarmaken voor de nacht
Controle inventaris. Eventueel schip schoon/droog maken.
Zeilkleden eraf: droge zijde droog houdend opvouwen en opbergen. Zonodig sluitingen controleren. Kraanlijn aanslaan, kraanlijn doorzetten.
Mik, schaar, bok (dan wel stoeltje) onder giek uit en veilig opbergen.
Fok aanslaan: val van tevoren klaar hangen. Schoot aan fok bevestigen dan wel klaarleggen. Halshoek vastmaken. Leuvers van onder af aanslaan. Niet in het water laten komen. Zie verder: fok opdoeken. Fokken-schoten door de lij-ogen en achtknoop erop zetten.
Grootzeil: grootzeilbindsels vastmaken/controleren (*). Aanslaan: piekenval aan spruit en spruitloperborglijn (*).Klauwval aanslaan (*). Grootzeilval aanslaan (*). Zonodig reven. Zelflozere (indien aanwezig) naar wens instellen.
Bemanning moet goed gekleed zijn en de mogelijkheid hebben zich anders te kleden als de omstandigheden veranderen.
Reddingvest voor elk persoon is aan boord en is bij voorkeur aangetrokken als een onderdeel van de regen-kleding. (*) = indien van toepassing

3.Verhalen van het schip
Zonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren met spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het verhalen geen gevaar op mag leveren voor bemanning, materiaal of andere scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk vanuit de kuip gewerkt te worden.

4. Hijsen en strijken van de zeilen
Stilliggend: met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan de kant van de kraanlijn plaats laten nemen.
Grootzeil hijsen: grootschoot los. Zeilbandjes los. Zonodig zeil opvangen. Gaffel tot ongeveer 45 graden (*). Vallen samen (*). Piekenval tijdelijk vastzetten (*). Klauwval vastzetten (*). Halstalie vast. Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek stellen zodat een plooi van nok naar hals resteert (*). Kraanlijn zodanig los dat het zeil er geen hinder van ondervindt. (*) alleen voor gaffelzeilen
Fok hijsen: val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek aan schoot lostrekken (val ontspannen en beheerst trekken). Strietsen (dwars op de val trekken; de ruimte die ontstaat over de korvijnagel of kikker met de andere hand wegnemen). Val beleggen. Vallen/kraanlijn opschieten. Varend:
Voorbereiding: fokkenval vastmaken aan nagelbank/knecht. Nog één zeilbandje vast met slipsteek. Kraanlijn strak aan toekomstige loefzijde. Schoot met slipsteek gereed om snel los te maken. Fokkenschoot klaarleggen naar stuurman toe. Grootzeilval(len) in de hand nemen (als het grootzeil eerst gehesen wordt). Uitvoering in principe: stuurman gaat aan toekomstige loefzijde zitten. Bij alle koersen hoger dan halve wind eerst grootzeil en dan de fok. Bij andere koersen eerst fok, vaart lopen, oploeven tot aan de wind en grootzeil hijsen. (Zie voor het hijsen: stilliggend).
Let op: piekenval sterker doorzetten dan 45 graden, dan wel alleen de piek hijsen en met de hand voor schoothoek spelen.
Uitzonderingen: bij luwtes/weinig wind, vaak bij bruggen, kan het grootzeil ook gehesen worden bij ruimere koers. Veiligheid: let goed op het andere scheepvaartverkeer.

5.Stand en bediening van de zeilen
Zowel bij het varen van een rechte koers als bij het maken van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste zeilstand te worden gevoerd. De zeilen dienen zoveel mogelijk gevierd te zijn zonder dat het 5.5.4 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot III vervolg

voorlijk daarbij kilt. Bij oploeven is het killen van de fok en bij afvallen is het killen van het grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk. De zeilen moeten het sturen van de boot ondersteunen.

6.Bovenwinds gelegen punt kunnen bezeilen
Met zo min mogelijk slagen een in de wind gelegen punt kunnen bezeilen. Daarbij goed kunnen bepalen wanneer er overstag gegaan kan worden door het gebruik van de 'achterlijker dan dwars'-peiling. Wanneer een lange en een korte slag gemaakt moeten worden, bij voorkeur met de korte slag bij het in de windse punt aankomen.

7.Opkruisen in nauw vaarwater
Goed hoog aan de wind zeilen en rekening houden met het andere scheepvaartverkeer. Als de wind van één van de oevers waait, is het in nauw vaarwater noodzaak de korte slag met een knik in de schoot te varen om voldoende snelheid te krijgen voor een vloeiende overstagmanoeuvre.

8.Gijpen
Aan zien komen wanneer er gegijpt moet worden. De stuurman attendeert de bemanning op de komende gijp. Het overkomen van het zeil moet pal voor de wind gebeuren. Na de gijp zit de stuurman aan de hoge zijde. Het schip moet een vloeiende, zonodig gestrekte, koers blijven varen. 'Nieuwe' fokkenschoot pakken en evt. opnieuw de fok te loevert zetten.
Direct voor en na de manoeuvre moet de zeilstand juist zijn. Met name het vieren van de schoot moet snel gebeuren.
Gijpen vermijden: indien de omstandigheden het noodzakelijk maken, moet een gijp vermeden kunnen worden. Bijv. het vervangen van de gijp door het maken van een 'stormrondje'. Bij een 'stormrondje' dient rustig te worden opgeleefd en na de overstagmanoeuvre vlot te worden afgevallen door het grootzeil flink los te zetten en de fok bak te blijven houden. Het strijken van het grootzeil is ook een mogelijkheid om de 'gijp' (althans met het grootzeil) te vermijden.

9.Afvaren van en aankomen aan hoger wal
Afvaren van hogerwal: met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen, zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken, opschieten en paraat opbergen. Bemanning evenredig over sb en bb verdelen. Stuurman aan de helmstok aan de toekomstige loefzijde. Schoten goed los.
Goed uitkijken voor een veilige afvaart.
Afzet van de wal naar de gewenste (grootste hoek schip/wal) richting (bij langswal ook vooruit) of recht achteruit.
Zonodig fok bak.
Afduwer gaat aan de loefzijde van de fok naar de kuip. Zonodig moet er worden gedeinsd. Deinzen: schip in de wind leggen.
Bemanningsgewicht evenredig overstuur- en bakboord verdelen. Schoten goed los. Fok zo mogelijk bundelen. Stuurman aan de toekomstige loefzijde.
Afduwer houdt het schip aan de voorstag of aan de randen van het voordek vast.
Het been dat het dichtst bij het voorstag is wordt op het schip geplaatst. Afzet krachtig en recht achteruit. Roerganger geeft roer voor deinzend schip.
Volvallen over de van tevoren vastgestelde boeg. Bij voorkeur zonder fok bak. Helmstok/hout niet loslaten.
Vaart gaan maken (zeil aantrekken) zodra het schip op de juiste koers ligt.
Aankomen aan hogerwal onder alle omstandigheden: de aankomst aan hogerwal dient ook zonder een 'dwarspeiling'te kunnen worden uitgevoerd. Landvasten gereed leggen/houden en vastmaken aan het schip.

5.5.4 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot III vervolg

Schip moet stilliggen vlak voor de op de wal aangegeven plaats op één der aan de windse koersen (zonodig afhouden op veilige wijze).
Het schip moet zoveel mogelijk loodrecht op de wal aankomen.
De snelheidsregeling moet zichtbaar zijn. De controle op volledige killende zeilen (op de juiste koers varend) moet hebben plaatsgevonden.
Het bemanningslid dat vast gaat maken, blijft zo lang mogelijk 'laag' en houdt zich gereed met het landvast in de hand. Via de loefzijde aan de wal stappen (niet springen).

10.Man over boordmanoeuvre
"Man over boord" constateren en roepen. "Zwem" toeroepen. Zonodig een drijfmiddel toewerpen.
Op elke willekeurige koers afvallen naar voor de wind.
Er dient iemand te wijzen als de drenkeling moeilijk zichtbaar is.
Voor de wind varen totdat je over de aan de windse lijn heen bent (ongeveer 4 bootlengtes).
Oploeven en aan de wind gaan varen.
Stuurman constateert of laat constateren: "man dwars".
Overstag.
Snelheid regelen (niet stil gaan liggen) en langzaam aan lij van de drenkeling langsvaren.
Bemanning geeft aanwijzingen voor de koers in de laatste meters.
Bemanning staat aan loef klaar om drenkeling vast te pakken.
Bemanning roept "man vast" als dat het geval is.
Fok wordt bak getrokken.
Drenkeling aan loef, op het draaipunt van het schip (achter het want), zijdelings en zo horizontaal mogelijk
binnenhalen.
Bijliggen.
EHBO toepassen.

11. Aankomen aan lagerwal
Voorbereiding: stootwillen op de juiste plaats bevestigen en zo mogelijk terug in het schip leggen. Afstoplijn zonodig gereed maken en beleggen in de buurt van het draaipunt van het schip. Vallen klaar maken voor het vrij uitlopen tijdens het strijken. Kraanlijn aan toekomstige loefzijde. Zeilbandjes gereed houden. Uitvoering: de keuze van het al dan niet eerst strijken van de fok hangt af van de bekwaamheid van de bemanning en de bestuurbaarheid van het schip. Fok zonodig strijken. Grootzeil bovenwinds strijken op aan de windse koers.
Grootzeil strijken: voorstrijk (vallen 20 cm vieren). Grootschoot vast. Vlot strijken. Grootzeil aan loef binnenhalen. Zeilbandjes vast.
Fok strijken: niet in het water laten komen. Fok opdoeken. Stootwillen uithangen. Bij aankomst: a. via opdraaimethode: vaart verminderen door tegen de wind in te sturen b. via afstopmethode: afstoppen met afstoplijn.
Veiligheid: schip 'vierkant' houden. De bemanning niet aan de lijzijde achter in de kuip. Werkende en meevarende bemanning zo snel mogelijk laag in de kuip plaats laten nemen. Het uitzicht van de stuurman wordt belemmerd, dus de bemanning moet mee uitkijken. De situatie moet zo kort mogelijk duren, dus zo snel mogelijk uitvoeren. Niet met handen of voeten vanaf het schip afhouden. Wel goed: afstappen en schip afhouden.

12.Afmeren van het eigen schip
Schip dusdanig fixeren dat ook op lange termijn schade aan eigen of andere schepen niet mogelijk is. Gebruik zo min mogelijk verbindingslijnen met de 'wal' (minder dan 3 en meer dan 6 is altijd fout). Kies de lijn zo lang mogelijk. Eerst die lijnen vastmaken die de natuurlijke beweging van het schip tegengaan (in de wind of tegen de stroom).

5.5.4 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot III vervolg

13.Kunnen reven op het eigen schip
Aan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan reven. Dit aangeven aan de hand van: schip, zeilwater, windkrachten geoefendheid van de bemanning. Op de eigen lesboot moet indien noodzakelijk gereefd kunnen worden.

14.Eenvoudig ankeren
In een noodgeval gebruik kunnen maken van het aanwezige anker. Rekening moet worden gehouden met: geen lijn(en) om het anker, het anker moet zich in kunnen graven, het schip moet (nagenoeg) in de wind blijven liggen tijdens het ankeren.

15.Eenvoudige zeil- en scheepstrim
De functie van de bolling van het zeil kennen en zonodig kunnen beïnvloeden. Tevens moet de helling van het schip steeds zoveel mogelijk constant blijven (een ietsje naar lij).
16.Loskomen van aan de grond
In volgorde van de moeilijkheid van de situatie, als je constateert datje vastloopt, dien je:
Zo snel mogelijk van de ondiepte af te sturen.
Het schip te krengen om de diepgang te verminderen (denk aan de gijp in voor de windse situaties).
De vaarboom erbij te nemen en:
door de wind bomen en wegvaren
een gijp te forceren en wegvaren.
Het zeil te strijken en de boot via dezelfde weg terug te duwen (of zonodig te laten slepen) als datje op de ondiepte bent gekomen.

17.Gebruik binnen- of buitenboordmotor (binnenboordmotor optioneel t/m 2006, buitenboordmotor verplicht vanaf 2007)
De kandidaat wordt verondersteld met tenminste één motor om te kunnen gaan. Dat betekent:
De start en stopprocedure van de motor moet gekend worden (zonodig het gebruik van de choke kennen).
Bij buitenboordmotoren moet gecontroleerd worden of er gevaar bestaat voor het raken van de schroef door het roer.
Aanleggen en afvaren van hogerwal.
Goed afmeren op de eigen ligplaats.
Keren.
Stoppen.
Stilliggen op open water.
Bij directe aanwezigheid van personen in het water dient te motor te worden uitgeschakeld.

18.Schiemanswerk
Toepassing en onderhoud van touwwerk: de gebruiksmogelijkheden kennen van verschillende soorten touwwerk (kunststof) voor landvasten, vallen, sleeplijn en ankerlijn. Het touwwerk moet vrij van zand en scherpe randen worden gehouden en zoveel mogelijk gevrijwaard zijn van invloed van U.V.-licht. Steken en knopen en hun toepassing: twee halve steken, slipsteek, achtknoop, platte knoop, schootsteek (enkel en dubbel), mastworp (2 manieren), paalsteek, opschieten van een tros, tros beleggen op een bolder, lijn beleggen op een klamp of nagel.

19.Aanvarings-/achtergrondpeiling kunnen maken
Kunnen vaststellen of er gevaar voor een aanvaring zal ontstaan bij kruisende koersen door over het andere schip een peiling te nemen op de achtergrond.

5.5.4 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot III vervolg

20.Toepassing van de reglementen
De uitwijkregels voor het eigen vaargebied kunnen toepassen. Een uitwijkmanoeuvre dient tijdig te worden ingezet. De bemanning mag waarschuwen voor andere scheepvaart.

21.Terminologie
Zoveel mogelijk dient de juiste naamgeving te worden gebruikt. Zowel bij de communicatie binnen de boot als tussen schepen en personen onderling.

5.5.5 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot III

1. Schiemanswerk
De volgende steken bij naam kennen en op verzoek kunnen leggen: twee halve steken, waarvan de eerste slippend, achtknoop, paalsteek, platte knoop, mastworp (met slipsteek als borg), schootsteek (enkel), mastworp op twee manieren, (met slipsteek als borg), schootsteek op twee manieren (enkel en dubbel). Ook dient de functie van deze knopen en steken gekend te worden.
En tevens: een lijn juist kunnen opschieten en een lijn goed kunnen beleggen op een kikker. Een lijn goed kunnen beleggen op een bolder.
Kunnen aangeven dat touwsoorten kunnen verschillen in: rekvermogen, breeksterkte, slijtvastheid, wateropname en U.V.-bestendigheid. Het verschil tussen geslagen en gevlochten touwwerk moet herkend worden. Het verschil kunnen aangeven tussen diverse soorten kunstvezeltouw. De gebruiksmogelijkheden van verschillende soorten touwwerk voor landvasten, vallen, schoten, sleeplijn en ankerlijn moeten gekend worden. De kandidaat moet weten dat touwwerk vrij van zand gehouden moet worden en zoveel mogelijk gevrijwaard van U.V.-licht. Het begrip schavielen en maatregelen daartegen moeten beschreven kunnen worden.

2.Zeiltermen
Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen: hoger wal, lager wal, bakboord, stuurboord, hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen van het zeil, deinzen, opschieten, beleggen, bovenlangs, onderlangs, dwarspeiling, bezeild, binnen de wind, korte slag, lange slag, opschieter, zuigen, duiken, planeren, volvallen, verhalen, verlijeren, drift, bijliggen, bak(-houden).

3.Onderdelen
Van de eigen boot en tuigage in de praktijk en op afbeeldingen minstens 40 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen. Deze onderdelen naar eigen keuze van de kandidaat. In ieder geval moeten gekend worden: voorsteven, spiegel, sluiting, kous, blok, stootkussen, hoosvat, landvast, kiel, helmstok, roer, roerblad, mast, giek, val, halstalie, schoot, voor-, achter-, onderlijk, hals-, schoothoek, grootzeil, fok.

4.Veiligheid
Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen boot te blijven. De eisen kennen die gesteld moeten worden aan een zwemvest (reddingvest).

5.Reglementen
De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen toepassen: 2 Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement
1.01 lid A 1° schip
1.01 lid A 2° motorschip
1.01 lid A 3° groot schip
1.01 lid A 4° klein schip
5.5.5 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot III vervolg
1.01 lid A 6° passagiersschip
1.01 lid A 14° veerpont
1.01 lid A 15° zeilschip
1.01 lid A 16° zeilplank
1.01 lid B 2° sleep
1.01 lid B 5° assisteren
1.01 lid C 1° 's nachts
1.01 lid C 2° overdag
1.01 lid C 7° korte stoot, lange stoot
1.01 lid D 5° vaarweg
1.01 lid D 6° vaarwater
1.02 lid l t/m 4 Verplichtingen en verantwoordelijkheden schipper
1.04 Voorzorgsmaatregelen
1.05 Afwijking reglement
1.09 lid l Sturen
1.11 Reglement aan boord
2.02 Kentekens van kleine schepen
3.01a lid a, b, c, d Begripsbepalingen: toplicht, boordlichten, heklicht, rondom schijnend licht
3.05 Verboden tekens
3.07 Verboden lichten of tekens
3.08 lid l Tekens van motorschepen
3.08 lid 5 Tekens van motorschepen (motorkegel)
3.09 lid l, 2, 3, 4 Tekens van slepen en van motorschepen die assisteren
3.12 Tekens van grote zeilschepen
3.13 Tekens van kleine schepen
3.15 Gele ruit passagiersschepen 3.20 Tekens van stilliggende schepen
3.25 Tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen
3.29 Bijkomende tekens bescherming hinderlijke waterbeweging
3.30 Noodtekens
3.38 Teken bij een duiker te water
4.01 lid Ib en 4 Geluidsseinen; algemene bepalingen
4.02 Geven van geluidsseinen
4.04 Blijf wég-sein
5.01 Verplichtingen ivm verkeerstekens
5.02 Prioriteit
6.01 Vaarregels: begripsbepalingen
6.03 lid 1,3,4,5 Tegengestelde koersen: algemene beginselen
6.04 lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal
6.04 lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal
6.04 lid 4 Tegengestelde koersen: groot onderling
6.04 lid 7 Tegengestelde koersen: kleine motorschepen onderling
6.04 lid 6,8 Tegengestelde koersen: kleine zeilschepen onderling en zeil - spier - motor
6.04 lid 9 Tegengestelde koersen: klein spier onderling
6.07 Voorbijvaren op tegengestelde koersen in een engte
6.09 Voorbijlopen: algemene bepalingen
6.10 Voorbijlopen
6.13 lid l, 2, 3, 4 Keren
6.14 Vertrek
6.16 lid l t/m 7 Uit- en invaren van havens en hoofd- en nevenvaarwateren
6.17 lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal
6.17 lid 3 Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 4 Kruisende koersen: groot onderling
6.17 lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling
6.17 lid 7 Kruisende koersen: kleine motorschepen onderling
5.5.5 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot III vervolg
6.17 lid 8 Kruisende koersen: klein spier onderling
6.17 lid 9 Kruisende koersen: zeil - spier - motor
6.18 lid l Diverse vaarregels (gelijke hoogte varen)
6.18 lid 2 Diverse vaarregels (voorbijvaren gevaarlijke stoffen)
6.18 lid 4 Diverse vaarregels (niet vastmaken of meevoeren aan varend schip zonder toestemming)
6.20 lid l Hinderlijke waterbeweging
6.22 Stremming en beperking van de scheepvaart
6.23 Vaarregels voor veerponten
6.26 Doorvaren van beweegbare bruggen
6.28 lid 4, 5, 9 Doorvaren van sluizen
6.28a In- en uitvaren van sluizen
7.09 Gedogen langszij te komen
7.10 Medewerken bij vertrek
8.08 Watersport zonder schip
9.04 lid l, 2, 3 Kleine schepen
9.05 Zeilplanken Bijlage 6A geluidsseinen: Attentie
Ik ga stuurboord uit
Ik ga bakboord uit
Ik sla achteruit
Ik kan niet manoeuvreren
Noodsein
Blijfweg sein
Verzoek tot bediening van brug of sluis
Bijlage 7 verkeerstekens:
Al In-, uit- en doorvaren verboden. Inclusief A. 1.a
A9 Verbod op hinderlijke waterbeweging
All In-, uit- of doorvaren verboden, wordt aanstonds toegestaan
A12 Verboden voor motorschepen
A13 Verboden voor kleine schepen
A15 Verboden voor zeilschepen
A16 Verboden voor door spierkracht voortbewogen schepen
A17 Verboden voor zeilplanken
B5 Verplichting voor het bord stil te houden
B6 Verplichting de vaarsnelheid te beperken
Dl Aanbevolen doorvaartopening vaste bruggen
El In-, uit- en doorvaren toegestaan
E4 Niet vrijvarende veerpont
E4.1 Vrijvarende veerpont
E9 Het gevolgde vaarwater geldt als hoofd vaarwater
E10 Het gevolgde vaarwater geldt als nevenvaarwater
Eli Einde van een verbod of gebod
E15 Motorschepen toegestaan
E16 Kleine schepen toegestaan
E18 Zeilschepen toegestaan
E19 Door spierkracht voortbewogen schepen toegestaan
E20 Zeilplanken toegestaan
G l Optische tekens bij vaste bruggen
G2 Optische tekens bij beweegbare bruggen
G4 Optische tekens bij sluizen
GS.la Hoogteschaal
H3 Spui- en inlaattekens

5.5.5 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot III vervolg

Bijlage 15 (vaarwegen behorend bij art. 9.04 lid 1)
Bijlage 16 (vaarwegen behorend bij art. 9.05)
Weten dat naast het BPR nog andere reglementen kunnen gelden en weten waar het BPR en deze andere reglementen gevonden kunnen worden.
Weten welke andere reglementen bovendien nog op welke vaarwateren binnen zijn vaargebied gelden. Weten dat voor het varen met bepaalde schepen een Klein Vaarbewijs verplicht is (Binnenschepenwet Art. 16 lid 2).

6.Krachten op het schip en hun gevolgen
De begrippen kracht en koppel moeten gekend worden en ze kunnen gebruiken bij het uitleggen van de onderstaande zaken.
Aan kunnen geven wat de effecten zijn van fok en grootzeil op het sturen van het schip. Ook aan kunnen geven wat er gebeurt bij een onjuiste zeilstand. Aan kunnen geven wat de effecten zijn van de helling van de boot op het sturen van het schip. Kunnen verklaren hoe ten gevolge van de kracht van de wind op het zeil, drift en voortstuwing ontstaan.
Kennis hebben van de oorzaken van stabiliteit van scherpe jachten. Het verschil tussen gewichtsstabiliteit en vormstabiliteit moet kunnen worden uitgelegd.

7.Gedragsregels, vlagvoering en jachtetiquette
De goede gebruiken ten opzichte van andere watersporters waaronder wedstrijdzeilers kennen. De verantwoording kennen ten opzichte van het milieu. Het kennen van de vlagvoering van het eigen schip.

8.Weersinvloeden
Het kunnen interpreteren van het weerbericht met betrekking tot de veiligheid van het kielboot varen, mede gezien de eigen vaardigheid.
Het tijdig kunnen herkennen van voortekenen van plotselinge weersomslagen zoals onweer en zware windvlagen. Weten welke windsnelheden (in m/sec) horen bij de verschillende stappen van de schaal van Beaufort en omgekeerd. Het verband kennen tussen de omschrijvingen die bij waarschuwingen gebruikt worden en het bovenstaande.

9.Vaarproblematiek andersoortige schepen
Het gevaar kennen van de dode hoek en de zuiging van grote schepen. Weten dat grote schepen (o.a. ten gevolge van hun diepgang) op smal vaarwater niet uit kunnen wijken. Weten dat ook grote vrachtschepen sterk kunnen verlijeren.

10.Dagelijks onderhoud van het 'eigen' schip
Kennis over: de controle op het vastzitten van bevestigingsmaterialen aan boord (ook boven in de mast), het bijwerken van kleine beschadigingen, het schoonhouden van het schip.
Dagelijks onderhoud van buitenboordmotor (overgangsregeling; optioneel t/m 2006, verplicht vanaf 2007)
De motor, brandstof zonodig bijvullen, smering van de motor en schroefas controleren. Vreemde geluiden herkennen en doorgeven.

11.Het kennen van twee andere reefsystemen dan die op het 'eigen' schip
Theoretische kennis over het werken met het reefsystemen van het eigen schip. De kandidaat moet kunnen aangeven waarde belangrijkste foutoorzaken liggen.
Twee andere reefsystemen kennen dan die van het 'eigen' schip.