Scouting Wesselgroep
Vlaardingen

Bezoek adres
Broekpolderweg 249c
3138 HA Vlaardingen

Klik hier voor een uitgebreide route omschrijving

Opleiding => Varen (CWO) => CWO eisen KB1


5.3 CWO Diploma Kielboot I scoutinginsigne zeilen rood

Het CWO Diploma Kielboot I en scoutinginsigne zeilen rood is bedoeld voor personen die blijk hebben gegeven de volgende onderdelen onder gunstige omstandigheden (rustig vaarwater en matige wind, 3 Beaufort) te beheersen in een zeilboot met een eigen massa van tenminste 200 kg en een zeiloppervlakte van 20 m2. Dan wordt ook het scoutinginsigne zeilen rood versterkt.

5.3.1 Eisen praktijk Kielboot I

1. Het schip zeilklaar en nachtklaar maken
2. Verhalen van het schip
3. Stilliggend hijsen en strijken van de zeilen
4. Stand en bediening van de zeilen
5. Sturen, roer- en schootbediening
6. Overstag gaan
7. Opkruisen in breed vaarwater
8. Gijpen
9. Afvaren van hogerwal
10. Onder toezicht aankomen aan hogerwal
11. Afmeren op de eigen ligplaats
12. De noodzaak van het reven onderkennen
13.Toepassing van de reglementen

5.3.2 Eisen theorie Kielboot I

1. Schiemanswerk
2. Zeiltermen
3. Onderdelen
4. Veiligheid
5. Reglementen
6. Krachten op het schip en hun gevolgen

Aanbevolen literatuur:
Het Zeilboek, J.Peter. Hoefnagels, Uitgeverij Het Goede Boek, derde druk 2001,ISBN 90 240 0667 8
Zeilen van beginner tot gevorderde ;Karel Heijen, Peter Tolsma, Uitgeverij Hollandia, zevende druk 1998,ISBN 90 6410 0586
5.3.3 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot I
1. Het schip zeilklaar en nachtklaar maken
Zeilklaar maken: zeilkleden verwijderen, kraanlijn doorzetten en mik of schaar verwijderen, fok aanslaan, fokkenschoten inscheren, vallen aanslaan. Inventaris controleren.
Klaarmaken voorde nacht: vallen losmaken en in het want of langs de mast (rammelvrij) wegwerken. Fok in zeilzak, grootzeil opdoeken, giek (en gaffel) op de mik (schaar) leggen. Kraanlijn loszetten. Zeilkleden aanbrengen, inventaris opruimen.

2. Verhalen van het schip
Zonder gebruik te maken van de motor. Alle manieren met spierkracht zijn toegelaten met dien verstande dat het verhalen geen gevaar op mag leveren voor bemanning, materiaal of andere scheepvaart. Op het schip zelf dient zo veel mogelijk vanuit de kuip gewerkt te worden.

3. Stilliggend hijsen en strijken van de zeilen
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat
het schip niet tegen de wal komt. Bemanning voorin of aan de kant van de kraanlijn plaats laten nemen.
Grootzeil hijsen: Grootschoot los. Zeilbandjes los. Zonodig zeil opvangen. Gaffel tot ongeveer 45 graden (*).
Vallen samen (*). Piekenval tijdelijk vastzetten (*). Klauwval vastzetten (*).
Halstalie vast. Rijglijn/rakbanden zonodig corrigeren. Piek stellen, zodat een plooi van nok naar hals resteert (*). Kraanlijn zodanig los dat het zeil er geen hinder van ondervindt. (*) alleen voor gaffelzeilen
Fok hijsen: Val losmaken. Zonodig naar de kuip gaan. Schoothoek aan schoot lostrekken (val ontspannen en
beheerst trekken). Strietsen (dwars op de val trekken; de ruimte die ontstaat over de korvijnagel of kikker
met de andere hand wegnemen). Val beleggen. Vallen/kraanlijn opschieten.

4. Stand en bediening van de zeilen
Zowel bij het varen van een rechte koers als bij het maken van bochten dient steeds zoveel mogelijk de juiste zeilstand te worden gevoerd. De zeilen dienen zoveel mogelijk gevierd te zijn zonder dat het voorlijk daarbij kilt. Bij oploeven is het killen van de fok en bij afvallen is het killen van het grootzeil in bescheiden mate noodzakelijk. De zeilen moeten het sturen van de boot ondersteunen.

5. Sturen, roer- en schootbediening
Het schip met behulp van het roer en de zeilen een rechte koers en bochten kunnen laten varen, zodanig dat een aangewezen punt zonder onnodige omwegen wordt aangezeild.

6. Overstag gaan
Van hoog aan de wind over de ene boeg naar hoog aan de wind over de andere boeg. Als er niet hoog aan de wind wordt gevaren, kan een opdraaiende beweging worden gemaakt waarbij vloeiend wordt overgegaan in de overstagmanoeuvre. Commando's:"Klaar om te wenden": waarschuwingscommando. Indien nodig ook te gebruiken in sloten en kanalen. Bemanning maakt zich gereed.
"Ree": start van de manoeuvre. Fokkenschoot 10 tot 15 cm vieren (= fok killend bij). Grootschoot zonodig en zo mogelijk enige decimeters aantrekken.
"Fok bak": alleen als het nodig is. Als de boot nagenoeg in de wind ligt, de fokkenschoot aan de oude loefzij-de weer aantrekken.
"Fok over": als de boot net door wind heen is. 'Oude' fokkenschoot opvieren en de 'nieuwe' fokkenschoot aantrekken totdat de schoothoek net niet meer klappert.
"Fok aan": als de boot weer wat snelheid heeft gekregen. De bemanning zet de fok strak. Dit moet zonder 'rukken' gebeuren. In de draai moet de fokkenschoot zoveel aangetrokken worden dat de fok geen wind vangt maar dat het klapperen belemmerd wordt. Zo min mogelijk roer geven (alleen bij heel weinig wind of veel golfslag is meer roer geven noodzakelijk). Stuurman met het gezicht naar voren gaan verzitten.

5.3.3 Toelichting op de praktijkeisen CWO Diploma Kielboot I vervolg

7. Opkruisen in breed vaarwater
Goed hoog aan de wind varend en zonodig overstag gaand een in de wind gelegen punt aanzeilen.

8. Gijpen aan zien komen wanneer er gegijpt moet worden.
De stuurman attendeert de bemanning op de komende gijp.
Het overkomen van het zeil moet pal voor de wind gebeuren.
Na de gijp zit de stuurman aan de hoge zijde.
Het schip moet een vloeiende koers blijven varen.
'Nieuwe' fokkenschoot wordt gepakt. Eventueel opnieuw fok te loevert zetten.
Direct voor en na de manoeuvre moet de zeilstand juist zijn.
Met name het vieren van de schoot moet snel gebeuren.

9. Afvaren van hogerwal
Met de kop (nagenoeg) in de wind gaan liggen. Zonodig verhalen. Iemand/iets ervoor zorg laten dragen dat het schip niet tegen de wal komt. Landvast(en) losmaken, opschieten en paraat opbergen. Bemanning evenredig over SB en BB verdelen. Stuurman aan de helmstok aan de toekomstige loefzijde. Schoten goed los.
Goed uitkijken voor een veilige afvaart.
Afzet van de wal naar de gewenste (grootste hoek schip/wal) richting (bij langswal ook vooruit) of recht achteruit.
Zonodig fok bak. Afduwer gaat aan de loefzijde van de fok naar de kuip.

10. Aankomen aan hogerwal (onder toezicht)
In principe aan de wind aankomen. Een stukje tegen de wind in 'opschieten' is toegestaan. De snelheid wordt geregeld met de zeilen. De instructeur kan aanwijzingen geven om de aanleg veilig te laten geschieden.

11. Afmeren op de eigen ligplaats
Het schip op de eigen ligplaats kunnen afmeren. Stootkussens zonodig gebruiken om beschadigingen te voorkomen. De juiste knopen en steken moeten worden gebruikt.

12. De noodzaak van het reven onderkennen
Aan kunnen geven wanneer de noodzaak bestaat om te gaan reven. Dit kunnen aangeven aan de hand van: schip, zeilwater, windkracht en geoefendheid van de bemanning. Het reven zelf hoeft niet gekend te worden.

13. Toepassing van de reglementen
De uitwijkregels voor het eigen vaargebied kunnen toepassen. Een uitwijkmanoeuvre dient tijdig te worden ingezet. De bemanning mag waarschuwen voor andere scheepvaart.

5.3.4 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot I

1. Schiemanswerk
De volgende knopen en steken kennen en op verzoek kunnen leggen: achtknoop, twee halve steken waarvan de eerste slippend, paalsteek, reefsteek (= platte knoop), het beleggen op klamp, nagel of kikker. Tevens moet een tros kunnen worden opgeschoten.

5.3.4 Toelichting op de theorie-eisen CWO Diploma Kielboot I vervolg

2. Zeiltermen
Kunnen aangeven wat bedoeld wordt met de volgende termen: hoger wal, lager wal, bakboord,
stuurboord, hoge- en lage zijde, loef- en lijzijde, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen van het zeil.

3.Onderdelen
Op eigen boot en tuigage in de praktijk en op een tekening minstens 15 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen (naar keuze van de kandidaat). Op de tekening moeten duidelijk minstens 20 verschillende onderdelen voorkomen.

4.Veiligheid
Kunnen aangeven waarom het belangrijk is om bij de omgeslagen boot te blijven. En tevens de eisen kennen die gesteld moeten worden aan een reddingvest.

5.Reglementen
De volgende regels uit het Binnenvaartpolitiereglement kunnen toepassen:
1.01 lid A 3° groot schip
1.01 lid A 4° klein schip: alleen de bepaling over de lengte
1.04 Voorzorgsmaatregelen
1.05 Afwijking reglement
6.04 lid 2 Tegengestelde koersen: stuurboordwal
6.04 lid 3 Tegengestelde koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 2 Kruisende koersen: stuurboordwal
6.17 lid 3 Kruisende koersen: klein schip verleent voorrang aan groot indien geen stuurboordwal
6.17 lid 6 Kruisende koersen: kleine zeilschepen onderling
6.17 lid 9 Kruisende koersen: zeil - spier - motor

6.Krachten op het schip en hun gevolgen
Kunnen aangeven wat de effecten zijn van de fok en het grootzeil op het sturen van het schip. Ook aan kunnen geven wat er gebeurt bij een onjuiste zeilstand.